Trailrunnen is hardlopen, maar dan zonder asfalt, stoplichten en drukke straten. In Nederlandse begrippen zouden we een ‘trail’ een smal (semi-)onverhard pad door de natuur noemen. Denk aan bosroutes, heidevelden of mountainbikeroutes met hoogteverschillen. Trailruns kennen we ook wel als veldloop- of crossroutes. Hoewel een prima conditie handig is bij trailrunnen, draait het minder om de prestatie of snelheid en veel meer om de ervaring: de geur van nat gras, de stilte van het bos en het knisperen van bladeren onder je schoenen.
In plaats van een vaste hardlooproute door de stad, kan een trail elke keer compleet anders aanvoelen. Een bospad dat gisteren droog en makkelijk liep, is na een regenbui veranderd in een glibberige uitdaging. En dat maakt het juist zo leuk! Je speelt met het terrein, kiest soms een andere richting of gaat erdoorheen.
Trailruntraining voor beginners
Sta je aan het begin van een bospad? Dan kun je in principe al starten met trailrunnen. Toch is het handig om met deze trailruntips rekening te houden. Zo voorkom je dat je te hard van stapel loopt en maak je de eerste kilometers een stuk leuker! Begin op bekend terrein: pak een trail die je al kent. Je weet waar de hindernissen (boomwortels, kuilen of hoogteverschillen) zijn en je hebt al een idee van de afstand. Zo kun je je als beginner goed focussen op het rennen en genieten.
Bouw rustig op: overstappen op trailrunnen vergt tijd. Je lichaam moet wennen aan het rennen op oneffen terrein en je gebruikt andere spiergroepen. Start dus kort en wissel asfalt met onverhard terrein af. Dan word je sterker zonder overbelasting.
Korte passen, voeten hoog: op asfalt kun je lange passen maken, maar op een trail werkt dat niet. Neem dus kortere passen en til je voeten goed op. Wijs niet met je tenen naar beneden, vooral niet bij afdalen of klimmen. Dan ren je gemakkelijker over stenen en begroeiing.
Kijk vooruit: als beginner is het verleidelijk om naar beneden te kijken, maar houd je blik zo’n zes meter voor je. Je kunt dan beter beoordelen of het pad voor je veilig is, en je ziet direct meer van de omgeving.
Gebruik je armen: je armen zorgen voor een hoop ritme en momentum tijdens je run. Op steile stukken of smalle paadjes geven ze je extra balans. Loop je al wat langer trails? Dan kunnen wandelstokken bij het trailrunnen handig zijn zodra het terrein erg technisch wordt.
Wandelen mag (en is slim): ren je eerste heuvel niet blind omhoog. Je verbrandt je energie snel en bent in één keer buiten adem. Veel slimmer is om de steile stukken te wandelen. Handen op je bovenbenen en kracht sparen voor later.
Twee mensen trailrunnen op een bospad
1 - Trailrunschoenen die goede grip, stevige demping en fijne bescherming geven. Zo houd je controle, ook op natte of steile stukken.
2 - Hardloopsokken die goede ondersteuning geven aan je voeten en kuitspieren, zoals de compressiesokken van Stox.
3 - Trailrunkleding in laagjes is ideaal om tijdens je run iets aan of uit te trekken, mocht je het te warm of te koud krijgen.
Een goede trailrugzak of racevest
Op langere trails neem je meer mee dan bij een gewone duurloop. Eten, drinken, extra kleding en een hoofdlamp moeten allemaal mee,
zeker wanneer een organisatie bepaalde materialen verplicht stelt.
Zorg dat je investeert in een goede drinkrugzak met waterzak of een runningvest.
Train regelmatig met een volle rugzak zodat je leert hoe het gewicht voelt en hoe je onderweg snel bij je spullen komt.
Weer verandert snel, vooral in heuvels en bergen. Een jack kan je letterlijk warm houden wanneer je tempo zakt of het ineens begint te regenen.
Een dun, winddicht jack is ideaal in de warmere seizoenen. In de herfst en winter is een waterdichte jas een veilige keuze.
Neem bij twijfel altijd iets mee. Je lichaam koelt sneller af dan je denkt.
